Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet in staat is in te deelen. Hoewel ook hier het onderzoek nog in vollen gang is en ik dus details nog moet uitstellen, kan ik hier toch reeds vermelden dat uit het onderzoek, voornamlijk van den districtsgeoloog F. Huffnagel, het volgende gebleken is.

Wij liggen hier onmiddellijk aan den oostelijken rand van het tertiair-bekken, althans van de uitbreiding die de tertiairafzettingen nu nog hebben, ofschoon deze formaties zich blijkbaar vroeger nog veel verder naar het zuidoosten hebben uitgestrekt, maar sedert door erosie verdwenen zijn. De tegenwoordige oostgrens verloopt over de buurtschap Kotten, beoosten Winterswijk, over Treden en vandaar langs onze rijksgrens bij Enschede, om langs den Tankenberg verder in noord-oostelijke richting in Duitschland verder te gaan; ten oosten van deze grens liggen de krijtafzettingen van het bekken van Munster aan de oppervlakte.

Dwars door Twenthe loopt verder een noord-zuid gericht breed tertiair-zadel, waarvan de as ongeveer over Enschede en Weerselo verloopt. De kern van deze opheffing bestaat aan de oppervlakte uit Staring's oud-tertiaire „leem van Ootmarsum", die thans gebleken is eoceen te zijn. Aan beide zijden van de zadelas hellen de lagen vlak naar west en oost af en verschijnen jongere tertiair-afdeelingen: eerst een zoom van oligoceen en eindelijk het mioceen; marien plioceen is hier nog nergens aangetroffen, maar volgt uit den aard der zaak verder naar het westen (bekend bij Arnhem en Nijmegen). De mioceengrens bewesten de zadelas verloopt ongeveer van Winterswijk over Kekken en Delden naar het noorden, terwijl het beoosten de opheffing weder verschijnt in de buurt van Lattrop en Denekamp; de oligoceen-gordel ligt als een + 5 K.M. breede zoom tusschen het mioceen en de eoceenkern van het zadel. Door kleinere oost-west gerichte zadels heeft de grenslijn een eenigszins golvend verloop.

Op zeer vele plekken komt het tertiair in dit gebied aan de oppervlakte, elders is het door meer of minder dikke diluviale afzettingen aan het oog onttrokken.

Petrographisch zijn de afzonderlijke onderafdeelingen als volgt ontwikkeld.

I

Sluiten