Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van 80 October 1909 (verschenen 6 December 1909). Schrijver komt daarin, op zeer plausibele gronden, tot de belangrijke gevolgtrekking, dat de daling nog geenszins is opgehouden.

Daar de rivieren, die het tertiair-materiaal uit onzen ondergrond aanvoerden, uit het Zuid-Oosten kwamen (Rijn en Maas) en dus de Nederlandsche tertiair-delta zich van daar uit uitspreidde, is het duidelijk dat men steeds zuiverder zeeafzettingen aantreft, naarmate men verder naar het Noordwesten gaat en in het Zuid-Oosten steeds oudere lagen reeds een landfacies vertoonen. Die rivieren kwamen sinds het einde van het oligoceen voornamelijk uit de Keulsche Bocht, dus van den Rijn, vóór dien tijd vermoedelijk meer uit de richting van het tegenwoordige Maasbed.

Hoewel de dalende beweging reeds bij het begin van liet Oligoceen inzette, was die in den aanvang nog sterk oscilleerend en wisselden zinkende bewegingen nog herhaaldelijk af met opheffingen, m. a. w. een transgredeeren, een overstroomen van de zee, met een terugtrekken daarvan.

Het ouder-oligoceen is in de Peel zuiver marien, maar vertoont in Zuid-Limburg ten deele reeds een landkarakter, of ten minste de brakwaterfacies van een riviermond als onze huidige Zeeuwsche stroomen. In het middeu-oligoceen wordt de daling sterker en vertoonen de afzettingen bijna overal het kenmerk van een vrij diepen zeebodem: de Rupelleem of Septariën-leem; hoe meer men in Zuid-Limburg naar het Zuiden voortdringt, hoe meer echter de invloed van nabijliggend land zichtbaar wordt, zelfs schijnen sommige lagen tijdelijk geheel droog gelegen te hebben („sables d'emersion").

Het opper-oligoceen is vrijwel overal marien, doch aan liet einde van deze periode treedt een hiaat in de lagenserie op, dat zich tot in de Peel laat vervolgen en op een landperiode wijst, die tot het midden-mioceen voortduurde; een sterke oscillatie dus, een algemeen terugwijken van de zee. In dienzelfden tijd werd in de Keulsche Bocht, Zuid-Limburg en zelfs nog bij Vlodrop eene bruinkolenformatie afgezet in een groot zoetwater-meer, een verder bewijs, dat de zee zich in deze streken ver had teruggetrokken.

Sluiten