Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 1001.

1. Met inachtneming der bij artikel 1000 voorgeschreven formaliteiten kan ook beslag worden gelegd op de lichamelijke roerende goederen van den schuldenaar, welke onder anderen mochten berusten.

2. Van het aldus gelegd beslag wordt op last van den residentierechter onverwijld' aan den schuldenaar aanzegging gedaan.

Artikel 1002.

1. De persoon met de inbeslagneming belast, zal, in overleg met den bijstaanden ambtenaar of beambte de in beslag genomen goederen geheel of gedeeltelijk aan den beslagene, zijne echtgenoote, bloed-of aanverwanten en huisgenooten, wanneer zij daarin bewilligen, ter bewaring overlaten, dan wel die goederen geheel of gedeeltelijk naar eene geschikte bergplaats doen overbrengen.

2. Gereede penningen en geldswaardige papieren zullen ten kantore van het hoofd van het

5°. op den in het huis voorhanden zijnde voorraad van spijs en drank, dienende tot de behoefte van het huisgezin, gedurende eene maand; 452. Insgelijks kan er geen beslag gelegd worden:

10. op de boeken betrekkelijk tot het beroep van den persoon tegen wien het beslag gedaan wordt, tot de som van twee honderd gulden, te zijner keuze;

2°. op de werktuigen en gereedschappen, dienende tot eenig onderwijs, of beoefening van kunsten en wetenschappen, ten bedrage van dezelfde som, en te zijner keuze;

3°. eindelijk, op twee buffels, of twee runderen, of één paard, of twse zwijnen, of twee geiten, of vier schapen, ter keuze, van dengene tegen wien het beslag gedaan wordt, met het benoodigde stroo en voeder voor dat vee gedurende eene maand.

Echter zullen de zaken in dit artikel opgenoemd, kunnen worden in beslag genomen:

1°. wegens levensbehoeften, verstrekt aan den persoon tegen wien het beslag gedaan is;

2°. wegens de gelden verschuldigd aan personen welke die voorwerpen vervaardigd, hersteld of verkocht hebben;

3°. wegens huren en pachten van onroerende goederen waarin of waarop de gemelde zaken voorhanden zijn.

Sluiten