Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II.

EEN SCHIEREILAND.

Met een enkel woord spraken wij reeds over Schellinge's oud-aardrijkskundige ligging. Wij willen daar thans wat dieper op ingaan.

Kozen wij nu de volksverbeelding tot onze gids, dan waren wij spoedig met een geografisch plan gereed. Zij toch wil ons doen gelooven, dat van al de wateren, die thans het eiland omringen weleer niet één bestond, de Noordzee natuurlijk uitgezonderd. Geen Flie dus, geen Amelander Gat en evenmin aan de Zuidzijde het Wad. Alsof het wiskunstig bewezen ware, weet de Schellinger u te verhalen, hoe in overoude tijden Flieland en Schellingerland aan elkander vast zaten; de kustbewoners hadden slechts over een vonder te gaan, welke beide oevers verbond; vandaar — zoo zegt men — heet nog een der mondingen van het Flie Stortemelk, omdat men, bij het gaan over dien vonder, wel eens uit de volle melkemmers morste.

In dergelijke zaken kan men echter aan de volksfantasie weinig waarde hechten, en is 't heel wat veiliger, om licht te zoeken bij de oude geschiedschrijvers. Tot onze verwondering komen deze echter met dezelfde voorstelling aandragen. Al disschen zij dan ook de overlevering van den vonder niet op, toch zijn zij van oordeel,

Sluiten