Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

posten, die, als men ze eenmaal had bezet, een schoon uitgangspunt boden, om het vaste land der Friesen te bestoken.

In de laatste helft der 14de eeuw was de verhouding tusschen Friesland en den Hollandschen graaf weder in hooge mate gespannen. Nog altijd lag het lijk van den jong-gesneuvelden graaf Willem den Vierden (1337—1345) in Friesche aarde begraven binnen de kloostermuren van Bloemkamp. Zijn dood was nog ongewroken. Vandaar dat in den zomer van 1373 Ruwaard Aelbrecht van Beieren zijn maarschalk A\ illem van Naaldwijk beval ten heirvaart te trekken naar de Friesen, om dat «koppige volk binnen de perken te houden.'") De daarvoor bestemde vloot stevende met een aanzienlijke krijgsmacht naar het Flie. Doch toen men vernam dat de vijand strijdvaardig was, wendde men den steven. Toch wilde men niet geheel onverrichter zake terugkeeren. De wraakzucht zocht een slachtoffer. Zoo wierp men zich op Schellinge en verwoestte het te vuur en te zwaard.2) Daarmede was deze krijgstocht geëindigd, doch het weerlooze Waddeneiland had de eerste bittere ervaring opgedaan van den haat, die den Hollander bezielde tegen het vrije volk tusschen Lauwers en Flie.

Veertien jaren van rust gingen na deze gruweldaad voorbij. De Ruwaard scheen den tijd nog niet rijp te achten, om den krijg te hervatten en sloot mitsdien een wapenstilstand met de Friesen. De Schellingers achtten het nu ook geraden, een vergelijk met den vijand te treffen en zonden in het voorjaar van 1387 twee aanzienlijke eilanders, Arent, bijgenaamd »de Langbeen" en

') M. Vossius, Hist. Jaarb. hl. 439.

') Joh. & Leyden, Chron. Belgic. Lib. XXXI, Cap. 23.

Sluiten