Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schap, waaruit blijkt dat het ten tijde van de Utrechtsche bisschoppen wel eenige beteekenis heeft gehad in kerkelijk opzicht. We worden daarin versterkt, als we letten op het zeer groot aantal kerken en kapellen, die men eertijds op een zoo kleine oppervlakte aantrof. Niet minder dan zes binnen een afstand van slechts drie uren gaans. Eerst vondt ge op 't Westeind een kapel die was toegewijd aan St. Brandanus;1) Oosteruit het wagenpad langs gaande, werdt ge spoedig den stompen toren gewaar van de Zuidkerk, achter de hooge ' wierde van het kerkhof te Suryp; dan verhief zich in de kom van Midsland de oude, eerwaarde St. Niklaaskerk; verder stond in Formerum een klein bedehuis dat den naam droeg van Vijfpoort en eveneens met een stomp torentje prijkte;2) eindelijk werd de rij gesloten door de St. Janskerk te Hoorn, wier spitse naaldtoren hoog boven de duinen uitstak en de Kapelle Eenpoort te Ooster-End. Er was dus alleszins reden om Schellingerland tot een afzonderlijk dekanaat te verheffen.

Bepaalde bijzonderheden aangaande den eeredienst in deze heiligdommen kennen wij zeer weinige, 't Spreekt van zelf dat ook hier geheel de oud-Katholieke godsvereering met hare priesters en altaren, met hare beelden en schilderijen, met hare kerkmissen en heilige dagen gevonden werd. Aan den noordermuur van de kerk te Hoorn is nog een kleine nis, waarin ongetwijfeld weleer een beeldje stond van den patroon der kerk, den heiligen Johannes den Dooper. Ook heeft volgens de overlevering, van denzelfden heilige een beeld gestaan op de Oostkrite des eilands in een duinbocht, die nu nog St. Janshoek

') Zie hoofdstuk XIII van dit werkje.

2) Blijkens eene oude kaart v. d. Waddeneil. en 't Bildt anno 1556, in het Rijksarchief.

Sluiten