Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan ging de commandeur met zijn stuurman en harpoeniers overleggen, welke bijzondere bedieningen zij aan de matrozen zouden opdragen, som onder Gods zegen in de visscherij dienst te kunnen doen." Hij liet dan het volk bij de groote scheepsspil te zamen komen en las hen dan de genomen schikking voor, hen aldus vooraf toesprekende: »een iegelijk gelieve naarstig toe te luisteren naar de uitdeeling van zijn nieuwe bediening boven de gewone, die hem heden wordt opgegeven, om op ons schip de visscherij te bedienen, zoo de Iïeere voor dit saizoen gelieft te zegenen."1) De sloepen werden daarop toegetakeld, de lijnen in de hokken geschoten en de ijzerkisten geopend. De harpoeniers gingen nu hun lensen en harpoenen scherpen, de banksnijders en kappers hun bank- en kapmessen, de speksnijders hun spek- en baardmessen. Alles was druk in de weêr, wijl men de streek naderde, waar de walvisch zich ophield.

Daar riep de matroos in 't kraaiennest: land! Weldra doemde Spitsbergen uit de zee op »als een wolk, want de bergen geven zoodanigen weerschijn, dat men er door in twijfel staat wolken of land te zien."2) Men zocht nu door het losse ijs, dat de zee had afgebrokkeld, aan de vaste en groote ijsvelden te komen. De visscherij toch van af het land, en daarna die op de open zee hadden maar kort bestaan. Alleen in de eerste jaren der walvisch vangst hield de prooi zich bijna uitsluitend onder de kust op, doch door het gedurig jagen en visschen werd zij schuw, zoodat de baaien ontvolkt werden en de landvisscherij opgegeven moest worden (± 1640). De kustvisschers trokken nu naar volle zee, maar ook daar bleek

') Zorgdrager, t. a. p. bi. 302. *) Zorgdrager, t. a. p. bl. 68.

Sluiten