Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en harpoeniers gestorven.') Toch is er in deze eeuw nog een kleine opflikkering gezien van de vroegere energie, toen van uit Harlingen en Holland op nieuw eenige walvischvaarders werden uitgezonden. Ook toen waren 't weer de Waddeneilanden en bovenal Schellingerland, die daarvoor de noodige bemanning leverden. Enkele voordeelige jaren hebben de reedcrs toen nog gehad. Zoo was in 1843 de vangst inderdaad ruim te noemen. De laatste Groenlandsvaarder, die deels met Schellingers, deels met Friesen bemand, te Harlingen was uitgerust, was de Dirkje Adema, onder commandeur Wilst. In 1861 maakte zij nog een vangst van honderd kwardeelen robbenspek.

Een der laatste commandeurs van der Schelling was IJmke Ruyg, die woonde op de Oostkrite van het eiland. Op de thuisreis is zijn schip op Texel gestrand en verbrijzeld. De opvarenden zijn meest allen verdronken. Twee Schellingers, waaronder Pieter Douwes Pronker te Formerum, zijn behouden op wrakstukken aan land gespoeld.2)

Thans schijnt een nieuwe herleving van de walvischvangst niet meer mogelijk, doch middelerwijl heeft de haringvisseherij een stoute vlucht genomen. En merkwaardig, nauwelijks hebben de eilanders zich tot dezen voor hen nieuwen arbeid begeven of terstond hebben zij er eere mee ingelegd. Geen volk is nu op de loggers zoo gezocht en gezien als dat van der Schelling en Ameland, wegens hun gewilligheid en degelijkheid. Wij zien dan ook den tijd niet verre meer, dat menig haring-

') C. Brandligt, Geschiedk. Beschouwing van de Walvischvisscherij,

Amst. 1843, bl. 8.

J) Volgens mededeeling van den landbouwer Th. Bakker te Ooster-End, die zelT een reis met de Dirkje Adema heeft medegemaakt.

Sluiten