Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Schout, Schepenen en de 24 oudsten handhaafden kortweg de gewoonte, die reeds eeuwen had bestaan, om voortvluchtige misdadigers welke hier aanlandden, ongemoeid te laten en zij duldden daarop geen inbreuk van de hoogere besturen. Het beweren: »wij hebben oude costuymen van eene vrijplaets te syn,"') werd pal staande gehouden.

In het begin van het jaar 1596 maakte een zekere H. Heertgens zich ergens in Friesland schuldig aan doodslag. Hij wist te ontkomen en vond op Schellingerland een veilige wijkplaats. Toen de Justitie in Friesland den misdadiger opeischte, gaven Schout en Schepenen daaraan geen gehoor. Daarop wendde zij zich tot de Staten van Holland, die hun hoog ongenoegen te kennen gaven over de vreemde rechtsbegrippen der Schellingers. Verder verklaarden zij de oude costuymen, waarop men zich beriep, voor vervallen en bevalen het recht zijn vrijen loop te laten.2) Dit was echter gesproken voor doovemansooren. Er verliep jaar en dag, zonder dat iemand op Schellingerland er aan dacht de regeeringsorder uit te voeren. En toen het jaar 1600 werd ingeluid, woonde de misdadiger nog ongestoord tusschen Borne en Flie.

De Staten vatten de zaak blijkbaar niet zeer ernstig op, daar zij zóó langen tijd hun gezag lieten vertreden. Eerst den 23sten Juni 1600 stelden zij een uitersten termijn vast, binnen welken de moordenaar het eiland moest verlaten. Acht maanden werden hem nog gegund, maar toen ook deze tijd verstreken was, zat hij nog even rustig als te voren in zijn woning te Formerum op Ooster-Schelling.

') E. v. Zurck, Codex Batavus, Leiden 1764, bl. 1018.

2J Resol. v. d. St. v. Holl. 21 Mei 1596.

Sluiten