Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kapen op het duin, waarvoor zij jaarlijks aan den Heer des eilands twee vaten bier moest betalen. Deze schuld voldeed zij niet meer, toen de Spaanschgezinde Graaf van Aremberg Heer van Schellinge was. Toen deze in 1598 de rekening liet opmaken van al zijne inkomsten, kwam daarop ook deze open post voor: «resten den Grave 36 vaten jopen bier van die van Enckhuysen in regart van de capen ende Bakens staende op den Duynen des Heeren Gront van Schellinck."1)

Met den Brandaris werd 't al spoedig een lijdensgeschiedenis. Hij begon reeds in het begin der 16de eeuw bouwvallig te worden en toen omstreeks 1560 de vloedgolf zich telkens door een diepe geul langs Dellewal2) een weg door het duin baande en tegen de brokkelige muren aanspoelde, scheen zijn ondergang nabij. Toen dit ruchtbaar werd, gingen allerwege onder de zeevarenden stemmen op, dat de toren toch behouden mocht blijven. Maar wie zou zich over hem ontfermen? Eindelijk vatte Amsterdam de zaak aan, onder voorwaarde dat «de gebueren ofte huysluyden van St. Brandaris-parochie" zelf de kerk zouden restaureeren en minstens honderd wagens wier leveren.3) De wierdijk, die gelegd werd, sloeg echter bij den eersten storm weêr weg, en ongehinderd klotste nu bij wijlen de zee tegen den wankelen reus aan. Een paar jaar later kwam nog eens één van Amsterdams burgemeesteren naar hem kijken en deze bevond »dat de toern van S. Brandarys

') Memorie van inkomsten in het Rijksarchief.

2) Hetzelfde verschijnsel doet zich thans weêr voor. In de 16de eeuw zette zich een rug in de bocht van Dellewal, waarachter zich een geul vormde. Indien geen doortastende maatregelen worden genomen, zal Wester Schelling weer worden bedreigd met overstrooming.

3) Vroedsch. Eesol. 21 Sept. 1559.

Sluiten