Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schuren. Dit drieste stuk komt den stranddieven echter duur te staan; de belhamels worden in de boeien, de anderen in zware boeten geslagen.1) Het kwaad heeft echter reeds zulk een omvang genomen, dat zelfs de Heer des eilands uit zijn recht van zeevond weinig of geen winste trekt, en zijne ambtlieden zijn zoo machteloos tegenover de stoutigheden der stranddieven, dat zij eindelijk dit recht aan den meestbiedende verpachten.2)

Niettegenstaande de Staten van Holland in 1663 nog eens met nadruk verklaarden, dat op Schellinge geen strandrecht mocht worden uitgeoefend, bleef de toestand dezelfde. Men hield de bemanning der gestrande schepen soms gevangen en bedong hooge losprijzen ; men weigerde een lading te bergen dan tegen betaling van ongehoorde bergloonen, en Drossaard zoowel als strandvonders bleven hunne tienden eischen.3) Nog in 1769 waren de Staten genoodzaakt op ieder zeedorp twee eerlijke en nuchtere mannen aan te stellen, die moesten waken tegen het plunderen van drenkelingen.

Moge het strand den eilanders weleer rijke winsten hebben doen toevloeien, voor hun geestelijk welzijn is het een vloek geweest. De zonde van strandroof, waaraan jong en oud zich schuldig maakte, is de moeder geweest van ruwheid en hebzucht, onrecht en nijd. Met een reeks bewijzen uit de strandkabalen van vroegeren en lateren tijd zou dit kunnen worden gestaafd.

Gelukkig is in deze eeuw tegenover deze volkszonde een andere trek aan het licht getreden, die het karakter van den eilander siert: de zelfopoffering om schip-

') Feith, 1. 1. p.

'-) Rapport 1611, Rijksarch. art. 2, 3, 4, 5. 3) Zie Resol. der St. v. Holl. passim.

Sluiten