Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tekst: 2 Cor. 12 : la.

Te roemen is mij waarlijk niet oorbaar.

M.H.! De apostel Paulus was een hoog begenadigd man Gods. Hij kon verhalen van „gezichten en openbaringen des Heeren" waarmede hij verwaardigd was geworden. Het was hem gegund geweest een blik te mogen werpen in de eeuwige heerlijkheid. Hij was toen — hoe of op wat wijze, dat kan hij niet verklaren — opgetrokken tot in den derden hemel, in het Paradijs. Wat hij daar gehoord en aanschouwd heeft, is voor geen mededeeling op aarde vatbaar.

Maar hij verheft er zich niet op. „Te roemen", zegt hij, „is mij icaarlijtc niet oorbaarHij acht het ongepast, onbetamend, onvoegzaam. Zelfverheffing is nooit geoorloofd, maar in het heilige allerminst; en dus stellig niet bij de vermelding van de heerlijke dingen die aan hem geschied zijn. Daarom gewaagt hij er van in een vorm waarin hij zijn persoon op den achtergrond stelt en spreekt hij van een mensch in Christus.

Wat hem ook den roem op deze bijzondere ontmoeting beneemt, is het lijden dat de Heere hem daarop als tegenwicht gegeven heeft. Want, „opdat hij zich door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, is hem gegeven een scherpe doorn in, het vleesch, namelijk een engel des Satans, dat hij hem met vuisten slaan zou".

Ook is het veertien jaar geleden dat hij die „gezichten en openbaringen" ontving.- Al dien tijd heeft hij er dus van gezwegen; en dat zou hij ook nu gedaan hebben, zoo hij niet door den tegenstand der valsche apostelen tot de bekendmaking er van zich gedrongen gevoelde.

Sluiten