Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't Is niet, omdat hij geloofd lieeft, terwijl anderen moedwillig in het ongeloof blijven. Neen, er was ook in hem noch geneigdheid noch vatbaarheid des geloofs. Het zalig worden door het geloof heeft hij enkel als eene gave van Gods genade leeren kennen.

Kortom, 't is niet, omdat hij beter was dan anderen ; want hij lag met heel de wereld verdoemelijk voor God. En hij zegt het daarom van harte den apostel na: „ Wij waren van nature kinderen des tcorns, gelijk ook de anderen; maar God, die rijk is in barmhartigheid, door zijne groote liefde waarmede Hij ons lief gehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus. (TJit genade zijt gij zalig geioorden.)" Efez. 2 : Sb—5. Zoo is dan alle eigen roem hier buitengesloten. Deze is den Christen waarlijk niet oorbaar.

Of zal hij roemen op zijne bevindingen? Ook dat niet. De apostel kon het niet, hij mocht het niet; juist daarom niet, omdat hij van zijne bevindingen zou gaan spreken, want hij zou „komen tot gezichten en openbaringen des» Heeren". Er zijn Christenen, die gedurig gewagen van den weg dien de Heere met hen gehouden heeft, niet zonder ingenomenheid met zichzelven en veel vertoon van vroomheid, zij het ook van nederigen hoogmoed. Dit is een groot kwaad. Satan hoort het niet ongaarne. Hij port er hen zelfs toe aan. Hij kan het niet beletten dat zij Christenen zijn, en mogelijk ook wel met vele geestelijke gaven bevoorrecht. Maar kan hij er hen toe brengen dat zij er zich op verheffen, dan is hem dat niet onwelkom; want hoogmoed is de strik des duivels, waardoor hij den eersten mensch heeft doen vallen, en waarin hij ook nu nog, indien het mogelijk is, de uitverkorenen tracht gevangen te nemen. Ook zoo verandert hij zich in „een engel des lichts", waarvan wij den apostel in het voorgaand hoofdstuk hooren spreken.

Neen, waarlijk de Christen heeft geen reden om op zijne bevindingen te roemen, als hij ziet op zichzelven. Immers

Sluiten