Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wie is hij, dat God zoo groote genade aan hem bewezen heeft dat Hij hem heeft wedergeboren, waardoor hij uit den dood is overgegaan in het leven; dat hij is zalig gemaakt, bekeerd van de macht des Satans tot God; dat hij is aangenomen tot een kind Gods en gemaakt tot een erfgenaam des eeuwigen levens; dat hij het Job kan nazeggen : „Ik weet, mijn Verlosser leeft"?

En dat niet alleen ; maar wie onderscheidt hem, waar hij getuigen mag dat de Heere gedurig aan hem gedenkt, van vrede tot zijne ziele spreekt, hem de vreugde van zijn heil doet smaken en hem den juichtoon op de lippen legt: „Mijn hart roept uit tot God, die leeft, en aan mijn ziel het leven geeft"?

Wie onderscheidt hem, waar hij nog al eens door de onderwijzingen des Heiligen Geestes wordt ingeleid in de verborgenheden van Gods raad, waardoor hij allengskens meer ontdekt de wonderen van Gods genade, die zich in den weg der verlossing openbaren — ja, wanneer ook aan hem wel „gezichten en openbaringen des Heeren" gegund worden.

Meer nog. Wie onderscheidt hem, waar hij gedurig ondervinden mag dat hij met een God te doen heeft, wiens naam is : Hoorder der gebeden ; die Hem redt uit al zijne nooden ; die hem leidt langs wonderlijke wegen en alle dingen hem doet medewerken ten goede, ze dienstbaar maakt aan zijne zaligheid? Getuigt het niet alles van Gods vrije gunst en goedheid ? Hoe zou hij er zich dan op mogen verheffen ?

Neen, „te roemen is hem waarlijk niet oorbaar"; want zóó zou hij God de eer van zijne genade niet geven en toonen, niet gedachtig te zijn aan de vermaning des apostels in zijn eersten brief: „Wat hebt gij, dat gij niet liebt ontvangen ? En zoo gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij, alsof gij het niet ontvangen hadt?" 1 Cor. 4:7.

Geen roem dus in zijne bevindingen, en evenmin in andere geestelijke zaken. Niet in zijn kennis. Nog altijd is in het algemeen de onkunde onder de Christenen niet gering, en die onkunde staat den welstand van

Sluiten