Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vooreerst wegens zijne onwaardigheid en onbekwaamheid. Wegens zijne onwaardigheid. Wel zegt de apostel elders: „Ik dank Hem, die mij bekrachtigd heeft, namelijk Christus Jezus onzen Heere, dat Hij mij getrouw geacht heeft, mij in de bediening gesteld hebbende", doch dat is geen eigen roem, maar roem in den Heere, welke zoo groote genade bewezen heeft aan hem die, zooals hij er op volgen laat, „te voren een Godslasteraar was, en een vervolger, en een verdrukker". Daar heeft hij dus juist het oog op zijne diepe onwaardigheid, gelijk hij ook aan de gemeente van Corinthe schreef, dat hij- niet waardig was een apostel genaamd te worden. Maar als de dienaar des Heeren op zichzelven ziet en op het hoog gewicht van zijn ambt, dan kan het niet anders of een dergelijk getuigenis, al is hij ook niet als Paulus een vervolger der gemeente geweest, zal ook van zijne lippen worden vernomen. Evenzoo het getuigenis van zijne onbekwaamheid, zoo hij het oog vestigt op het weinige, wat hij gedurende den tijd zijner bediening heeft kunnen verrichten en verricht heeft, tegenover het vele dat van hem geëischt werd, en bovendien op het duizendvoudig gebrek dat hem daarin heeft aangekleefd.

Ziet hij op de vrucht die zijn arbeid heeft afgeworpen, ook clan — al betwijfelt hij de uitspraak des Heeren niet: „Het (mijn woord) zal niet ledig tot Mij wederkeeren" — ontzinkt hem vaak alle roem, en zweeft hem veeleer de droeve klacht op de lippen: „Wie heeft onze prediking geloofd ? En aan wien is de arm des Heeren geopenbaard ?" Wat al moeilijkheden! Wat al zelfverloochening! Wat al teleurgestelde verwachtingen ! Wat al tegenkanting! En dit laatste waarlijk niet alleen van openbare vijanden. Wat al zwakheden en gebreken zijnerzijds!

o Als hij een oogenblik, stilstaande op zijn weg, aan dat alles terugdenkt, ja dan mag hij met den apostel God danken, die hem bekrachtigd heeft, maar dan zegt hij het overigens zonder aarzelen hem na: „ Te roemen is mij waarlijk niet oorbaar".

Sluiten