Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat dankt u, M. H., zijt gij daaraan reeds gestorven? Niet waar, gij weet wel beter? Maar is het u reeds tot zonde geworden? Houdt gij er van af? Is het waarlijk uwe begeerte, om steeds in ootmoed en nederigheid uwen weg te bewandelen, God boven alles de eere gevende van al wat waarlijk goed is in u zeiven en in anderen ? Bedenkt: „God wederstaat de hoovaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade". Hoort wat de Spreukendichter zegt: „Laat u eenen vreemde prijzen, en niet uwen mond." Vergeet vooral dit woord des apostels niet: „Niet die zichzelven prijst, maar dien de Heere prijst, die is beproefd". Let ook op de scherpe bedreiging des Heeren bij den profeet Jeremia: „Vervloekt is de man, die op eenen mensch vertrouwt, en vleesch tot zijnen arm stelt, en wiens hart van den Heere afwijkt.'-' Zóó weinig oorbaar is het te roemen, M. H. Het is de zonde van het Paradijs; de zonde die gevonden wordt in elk menschelijk hart; die gedurig op onze tong ligt en zich naar buiten openbaart. Wat er ons van verlost, het is het zondaar-zijn in eigen oog, het kennen van den Heere bij aanvang en bij toeneming als de Bron van alle goed in natuur en in genade. Ook leert de Heere het zijn volk en zijne dienaren wel af door het kruis dat Hij hun te dragen geeft. Want opdat ook zij zich niet zouden verheffen, is hen gegeven, evengoed als de apostel, in welken zin en op wat wijze dan ook, „een engel des Satans, dat hij hen met vuisten slaan zou". Ze vallen hoe langer hoe meer zichzelven tegen. Ook vinden zij zich bedrogen met menschen. Maar door zulke ervaringen geleerd, klemmen zij zich te vaster aan Hem, die de Getrouwe en Onveranderlijke is, en van wien geschreven staat: „Die roemt, roeme in den Heere". Amen.

Sluiten