Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In 1875—1880 gaf dr. J. G. R. Acquoy zijn standaardwerk „Het klooster te Windesheim en zijn invloed" uit. Dit werk, dat den indruk van groote betrouwbaarheid maakt, tot in kleinigheden uiterst nauwkeurig als alle werk van prof. Acquoy, brengt ons geheel thuis in het Windesheimer kloosterleven. Dit boek, waarvan we bij lezing zoo gevoelen dat het met liefde en piëteit geschreven is, was voor ons een voorname hulpbron voor de kennis van den kring te midden waarvan Gerlach Petersz leefde.

In 1874 schonk J. C. van Slee ons „De kloostervereniging van Windesheim, een filiaalstichting van de broeders van het gemeene leven".

Ook het buitenland bleef niet achterwege. In 1849 verscheen een monographie over Gerhard Groot en Florentius van Bahring. — Ullmann, Böhringer, Grube, Möbius, Leitzmann e. a. bewogen zich mede op dit gebied.

J. Mooren deelt ons ook in zijn „Nachrichten über Thomas a Kempis" (1855), het resultaat zijner onderzoekingen mede. Het veelvuldig schrijven over dezen wereldberoemden, grootsten vertegenwoordiger van de Windesheimer congregatie deed natuurlijk meermalen aandacht schenken aan de omgeving van den innigen mysticus.

J. van Vloten gaf in zijn „Verzameling van Nederlandsche prozastukken 1229—1476 (1851) eveneens fragmenten uit de mystische literatuur van dit klooster; zoo ook F. H. G. van Iterson in zijn „Stemmen uit den voortijd" (1857).

Sluiten