Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van meer zijdelingsch belang voor ons onderwerp zijn de proefschriften van dr. J. H. Gerretsen „Florentius Radewijns" (1891) en van dr. G. Visser „ Hendrik Mande, bijdrage tot de kennis der Noord-Nederlandsche mystiek" (1899), terwijl mede het werk van dr. Otterloo over Johannes Ruysbroeck (iste druk 1874) inzicht geeft in de Noord-Nederlandsche mystiek.

Studie van ons speciaal onderwerp maakte alleen Moll, „Gerlach Peters en zijne geschriften" (Kist en Moll, Kerkhistor. Arch. dl. II, 1859, pag. 145—173). Achter deze studie staan voor het eerst afgedrukt drie van de vier ons overgebleven werkjes, nl. zijn „Breviloquium" (Latijn) en twee brieven aan zuster Lubbe Peters, deze beiden in het Dietsch.

Deze monographie is, behalve om de drie voor het eerst uitgegeven werkjes, daarom ook van zoo groot belang, omdat Moll voor het kort overzicht van Gerlach's leven, niet alleen het mij ook ten dienste staande leven van Gerlach Peters in het Chronicon Wisdemense van Joh. Busch gebruikte, maar ook een uitvoerige levensbeschrijving in handschrift (uit de i5e eeuw) uit de bibliotheek van Mr. F. A. baron van Rhemen, door hem handschrift G. genaamd. Zie beschrijving van dit handschrift1) „Joh. Brugman", dl. I, Voorrede VII—XI.

Mijn voornaamste bron voor zijn leven was het bovengenoemd, ook door Moll gebruikt, Chronicon

1) Te laat vernam ik dat het afschrift, dat Moll van het handschrift nam, hoogst waarschijnlijk berust in de Universiteitsbibliotheek te Amsterdam.

Sluiten