Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't Was een tijdperk van groote roering in 't maatschappelijke: verheffing der steden, toenemend gevoel van eigenwaarde bij de burgerij, ontwaking van het volksbewustzijn; een tijdperk van strijd en tweedracht in alle deelen van ons land. ?t Is de tijd, dat de burgerij zich al strijdend voor zijn rechten een eigen letterkunde schept. Opkomst van de didaktische letterkunde ; de tijd van sermoenen, godsdienstige traktaten, collatiën, levens van Jezus en van heiligen.

Ons volk was in die tijden moe van de eenzijdige overheersching der scholastiek; men was moe van dat spitsvondig geredeneer, moe van dat koud, ongevoelig verstandswerk zonder geest. Als reactie kwam toen op een levendige behoefte God te gevoelen, zonder verstandelijke scheidsmuren God onmiddellijk te ervaren, te verzinken in God, God te schouwen.

Er heerschte goddeloosheid en verdorvenheid op alle gebied in kerk en maatschappij. Een spotten met het heiligste, een sceptisch ongeloof, of wat misschien beter den toenmalig geestelijken toestand van het volk karakteriseert, een cynisch gelooven, een angstvallig hechten aan vormen en het grofste bijgeloof.

Acquoy spreekt in zijn schets over dit tijdperk van bandeloosheid op alle gebied, twistgierigheid, hartstochtelijke liefde tot het spel, dronkenschap, overdaad, wreedheid, afpersing. Gebrek aan orde in de rechtspleging en de opvoeding.

De bevolking werd gedemoraliseerd door de burgeroorlogen, de twisten van Hoekschen en Kabeljauwschen, Schieringers en Vetkoopers.

Sluiten