Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fantasie vaak alle verstandelijke controle verdrong; inbeelding drong zich zoo, door steeds starend peinzen, als onomstootelijke waarheid op.

Deze onevenredige werking der fantasie nemen we in vele uitingen waar, in de visioenen van bekende schouwers uit het Windesheimsche klooster, doch ook bij anderen : engelenverschijningen, engelenzangen, gezichten en openbaringen van afgestorvenen. HetChron. Wind. is rijk aan voorbeelden1).

Voordat we overgaan tot het beschrijven van Gerlach's leven, wil ik nog even twee eigenaardige gebruiken vermelden, namelijk het zwijgen en het kapittelen (kapittel houden).

Slechts tweemaal per dag was het den kloosterbewoners geoorloofd te spreken; het overige van den dag moest alles zwijgend geschieden, slechts het hoognoodige mocht worden gezegd.

Dit is een tastbaargemaakte, verdikte caricatuur van dat zwijgen, waartoe we in den bijbel op vele plaatsen worden vermaand. Dit zwijgen, waartoe we in de Schrift worden aangespoord, maakt ons vrij en verheft ons, doch stelselmatig gedwongen zwijgen maakt bot en drukt neer.

i) Zie vooral Lib. II, LXIV en LXV.

We lezen hier o. a. p. 592 en 593, hoe een broeder de ziel van Joannes Scutken drie uur in het vagevuur zag, „sed inde egressa quasi stella matutina, et paulatim ut sol lucens in virtute sua, sic pulchra et decora ascendit ad caelestia, vultui divinae gloriae perpetuo socianda." Men verwonderde zich er ten sterkste over, dat Joannes Sc. die boven allen ijverig was in het waarnemen zijner plichten nog eerst door het vagevuur moest, doch ze dachten aan het woord „noli nimium esse iustus, ne forte obostupescas." (Eccl. VII, 17).

Sluiten