Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik kan me denken, dat de edelste geesten uit het klooster ook dit ten goede hebben gekeerd en dat er mannen zijn geweest, die dit zwijgen, bij een steeds opgewekt geloofsleven, mede heeft gevormd tot mannen van ontróerenden ernst, doch op de groote meerderheid kan het niet gunstig hebben gewerkt.

Het zich niet opgewekt kunnen uiten, 't zal hebben versomberd, 't zal angstvallig-kleinzielig allerlei zondetjes hebben doen overwegen. Wat is er benauwender dan zich niet te mogen uiten onder gewoon dagelijksch bezig zijn. Bovenmenschelijke krachten hebben we dan noodig om niet alle frischheid in gedachten en leven te verliezen, 't Zal bij velen hebben geleid tot verstomping des geestes, tot zenuwachtig-angstvallige overgevoeligheid en — waar dit altijd mee samengaat — tot onontvankelijkheid voor wat waarachtig groot is en verheven, voor allehoogere aandoening.

Wat zullen die kloostermuren in de enkele uren, waarin spreken geoorloofd was, getuige zijn geweest van een onheilig, ziekelijk, onmatig indringen in

eikaars zieleleven.

Een gebruik, waar ik het evenmin mee vinden kan als met dat botte zwijgen — 't heeft voor mijn voorstelling iets spookachtigs die altijd zwijgende, zich langzaam bewegende, zwarte gedaanten — is het kapittelen.1)

i) Lees over dit gebruik: Acquoy, Klooster v. Windesheim dl. I. 169 vgg. We vinden daar een nauwkeurig-plastische beschrijving.

Sluiten