Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de geschiedenis der Doopsgezinden geoordeeld is. Bij de Doopsgezinden leidde het streven naar het ideaal van de zuivere kerk tot een afscheiden van de wereld, een bannen en mijden en mijden en bannen, doch 't ideaal benaderde men er niet door, men streefde naar iets onbereikbaars.

Het leven van Windesheim was in alle opzichten sober en eenvoudig, en waar geheel de stichting in den geest van Gerrit de Groote was, laat het zich denken, dat ook de trek tot ascese zich in hun levenswijze deed gevoelen. We lezen van Gerrit de Groote, dat hij zich in zijn kloostertijd van veel onthield, menigvuldig vastte, door staan, bidden en knielen den slaap bestreed, onder zijn pij op zijn bloote lijf een haren kleed droeg, vol knoesten en knoopen, om toch het lichaam te dwingen tot volkomen onderwerping aan den geest. Dit kleed droeg hij zijn geheele leven.

Al lezen we, dat de ascese veel minder was in Windesheim dan in de andere middeneeuwsche kloosters — we hooren o. a. de overtuiging uitspreken, dat overdreven onthouding evenmin het heil der ziel als de welvaart van het lichaam bevordert — toch lezen we dit als lof over een kloosterling1): „fuit autem vir bonus, corpore macilentus, ossa tantum et carnem, venas et cutem aridam et contractam visus habere, ac omnino nullam seu parvam pinguedinem. Cuius rugae frontis et qualitas tota corporis

i) Chron. Wind. Lib. II, LXVI.

Sluiten