Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volgde hij al zijne bewegingen. Beiden in klimmende

spanning. Toen was het oogenblik. En op zijn

knieën zinkend „in publico castitatis suae pudicitiam vovit et consecravit." *) „Ende doe Her Floerens mercte, dat Gerlacus up sine knijen viel, doe hi sijn kindekijn offerde, waert hi alsoe blide in onsen lieven Heren, dat hi in sijnen herten sanck: „Te Deum laudamus."

Deze bekeering sloot dus voor hem in, een leven afgezonderd van de wereld in ongehuwden staat. Zeker zal hij zich na deze gebeurtenis met dubbelen ijver in de geestelijke studiën hebben verdiept. Dit moet men in het oog houden, bij zijn latere ontwikkeling en denkbeelden, dat hij onder de zeer bizondere leiding stond van Florens Radewijns, die weer de geliefde leerling was van Gerrit de Groote. Hij zal zeker grondig kennis hebben gemaakt met de geschriften van Ruysbroek, Suso en Tauler, ook zal hij zich goed in de gedachtensfeer van de Heilige Schrift hebben ingewerkt. Dat hij goed met den bijbel vertrouwd was blijkt uit zijn geschriften, van anderer invloed kunnen we weinig meer zeggen. Zijn dogmatiek was de vage dogmatiek der mystici; zijn geschriften ademden denzelfden geest als alle geschriften uit dien kring. We moeten bij iemand van de geestesgesteldheid van Gerlach, naar mijn meening, dit vooral bedenken, dat bij alles, ook bij zijn studie,

i) „Quam cunctis diebus vitae suae mundam et illibatam fideliter custodivit" voegt de kroniek er aan toe.

Sluiten