Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

exoro"T). Wanneer wij die ziekelijkheden lezen, kan ons een soort tegenzin bekruipen, omdat door deze zeker meer tastbare, doch formeele nederigheid, door deze caricatuur van nederigheid, het waarachtig gevoel van nederigheid wordt verdrongen. Doch ook hier heeft Gerlach een gezonden zin; enkele stukken uit zijn geschriften bewijzen dit3).

God was Heer van zijn leven en aan allen die boven hem waren gesteld was hij gehoorzaamheid )

1) Chronic. pag. 383. Zie verder pag. 594, 59s-> 498- °P bldz- 400 vin" den we dit eenigszins comisch verhaal over frater Wernerus te lang voor den tekst: „stetit aliquando in calefactorio cum fratre Arnoldo Suppnore nostro in familiari colloquio; supervenit frater Nicolaus conversus, senex et bonus, petens a suppriore adiutorium sibi concedi pro opere quodam perficiendo. Frater ergo Wernerus zelo disciplinae commotus ad genua se exponens, ait suppriori: Charissime Pater, peto veniam pro ïsto fratre ïmportuno." Et frater Nicolaus de tanti Patris pro se humiliatione erubescens, etiam statim ad genua procidens ait: „Charissimi Patres, est culpa mea" et tune ambo surgere jussi, postulatum recepit auxilium, referens nobis cum gratia, se tandem per talis viri humilitatem culpam recognovisse.

Van den prior Vornken is bekend, (Chron. 498), dat hij uit nederigheid het slechtste, dat wat den mensch van nature tegenstaat, zelfs zou hebben gegeten, zoo de broeders den kok niet hadden bevolen hem altijd iets eetbaars te geven.

2) Zie bijv. Soliloquium C. II en 29.

3) Moll deelt ons (Kerkhist. Arch. dl. II, 161) uit een handschrift uit de Koninkl. bibliotheek mede: „Broeder Gherlacus, die tot soe groten bekenne gekomen was gheesteliker dingen, die stont alsoe, had hi sijns oversten wille connen bekennen mit enen weyncken hi souden vlitelic volbrocht hebbe. Een aardig sprookje spreekt ons van zijn gehoorzaamheid overgeleverd in handschrift G.: „Doe dese broeder Gerlacus toe Wyndsom quam, gaf hi hem wonderlike seer tot gehoersomkeit ende tot allen doechden. Op een tijt waert hem geboeden, dat hi die peerde uitter weyde solde haelen, ende want hi daer noch niet lange gewoent en hadde, soe en konden hem noch die honde niet, ende hier omme soe blecten si hem aen ende wolden him biten. Doe genck hi neder sitten ende sprac totten honden

Sluiten