Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontstaan hoogstwaarschijnlijk zoo denken. Gerlach, bezorgd voor het zieleheil van zijn zuster, wilde haar eenige geestelijke vermaningen en opwekking doen toekomen, om haar te versterken in haar geloof, te midden van haar drukke leven. Daartoe maakte hij gebruik van zijn „devota exercitia".

Dit geschriftje evenals de tweede brief is gesteld in de volkstaal. De bekoorlijke frischheid, de treffende juistheid van de taal, waarin hij zijn verhevene gedachten weet uit te drukken, wekken bewondering voor het talent van den jongen kloosterling, die zich met zoo groot meesterschap van een nog jonge geestelijke taal weet te bedienen.

Van den tweeden brief spreekt ons Joh. Busch1), onder de benaming van „epistola sua teutonicalis". Deze ontstond ook vóór zijn inwijding, in denzelfden tijd als het Breviloquium. Busch noemt den brief: „Homini vero interno nullum tempus breve est, quin se suo dilecto in eo possit coniungere", en voegt er aan toe „in qua quidem epistola nomen sororis, et nomen fratris propter laicos eos habentes, noscitur commutatum".

Deze aanduiding deed Moll ijverig zoeken, doch te vergeefs. Bij toeval ontdekte hij het in een hs. van de stadsboekerij te Deventer. Dit handschrift, klein oct°, werd geschreven in de eerste helft der i5e eeuw, wellicht in het klooster van Joh. Brinckerinck te Diepenveen; het behoorde tenminste tot

i) Zie p. 522.

Sluiten