Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geen hs. is van dit werk bekend; toch zal dit wel verspreid zijn geweest in de verscheidene gestichten en kloosters van de Windesheimsche congregatie.

Voor het eerst gedrukt, voor zoover ons bekend, is het verschenen in het jaar 1616 te Keulen, aput Joa. Kinckium sub monocerote, Anno MDCXVI, onder den titel: Alter Thomas a Kempis sive ignitum cum Deo Soliloquium Rev. Dom. Gerlaci Petri Daventriensis" ]) 2).

Neale deelt mede dat het was „a great favorite with the Port-Royalists. Some consider it the masterpiece of mystic theology" 3).

De Dietsche vertaling, hoogstwaarschijnlijk van Johannes Scutken, vermeldde ik zooeven reeds; er

1) Opmerking verdient, dat de „alter Thomas a Kempis" een tijdgenoot was van den waren Thomas a Kempis en meer dan een halve eeuw eerder gestorven is.

Thomas a Kempis bereikte den ouderdom van 91 of 92 jaar5 diens meeste werken, hoogstwaarschijnlijk ook diens „de imitatione christi", zullen na Gerlach's werken geschreven zijn, en zeker, naar ik vermoed eerst na den dood van den schrijver, zijn bekend geworden. Uit dien bijnaam „alter Th. a. K." blijkt dus ook Thomas' van den beginne af veel grootere bekendheid. Wonderlijk verschillend is het lot van boeken. Van „De Imitatione Chr." zijn na den Bijbel het meest aantal uitgaven en vertalingen, het soliloquium is betrekkelijk onbekend. En toch zou het moeielijk zijn te zeggen, welke van de twee de grootste letterkundig-godsdienstige waarde heeft. Zou de suggestieve betiteling „Over de navolging van Christus" er ook toe hebben meegewerkt? We willen allen Christus zoo graag als voorbeeld navolgen. Deze onmogelijke eisch ons ook gesteld in het boekje van Sheldon: „In his Steps" (what would Jesus do ?), dat kort geleden zoo ontzachlijken opgang maakte.

Waarom zouden Thomas' andere letterk.-godsd. werken zoo veel en veel minder bekend zijn, terwijl diens „Soliloquium animae" en „Ilortulus rosarum" toch even schoone gedeelten bevat?

2) Moll vermeldt, dat hij hier te lande geen enkel exemplaar aantrof, wel in de boekerij te Wolfenbuttel; zooals ik reeds meldde, gebruikte ik een exemplaar uit de Haagsche bibliotheek.

3) Zie Acquoy, KI. v. W. I, p. 277 noot 2.

Sluiten