Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot een geestelijk boeleeren. Deze jonge schrijvers spelen met de goddelijke genade, hun bewezen; ze verlagen die heilige emoties tot een boeiend litterair motief1). Gerlach Petersz stemt die levende openbaring van een hoogere wereld tot ernst. Wanneer alles hem ontzinkt, niets standhoudt, als hij staande, niet staat, knielende niet knielt, wordt hij tot hoogen ernst gestemd, want in die oogenblikken wordt in hem de verterende zekerheid gelegd, dat God is. De grond van al het zijnde, de eenige realiteit is voor hem de levende God. En hij doorgrondt allen ernst van dit geloof.

De rust, die hij ons geeft is, dat hij ons van achter al die onrust en dien strijd en dat vaak overspannen juichend genieten, aanziet als een man van heiligen ernst. Niemand geeft ons meer vrede dan een man, die ons ernstig aanziende, met een klank van onmiskenbare echtheid in zijn stem — waardoor? doordat hij ons, zóó sprekend, aan ons zelf ontdekt? want zelfontdekking geeft ten slotte vrede — ons spreekt van zijn zonde en zijn geloof; ook al wordt hij zelf als Gerlach vaak verteerd door den drang naar levensheiliging.

Er zijn oogenblikken, dat hij, moe van de strakke spanning zijner krachten, als uitgeput neerzinkt op zijne knieën in een gevoel van onmacht; dan is het dat hij, geheel alleen opziende tot God, verkwikt

i) Een nadeel van de tegenwoordig haarfijne gevoelsanalyse is, dat deze emotie kan worden aangeleerd voor litterair gebruik. Zoo wordt ons vaak bedriegelijke namaak voorgezet.

Sluiten