Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sie is een edel schat, die altoos duerbaer ist ghewest ende noch is voor Gode ende sine hillighen" zoo lezen we L. 1: 3 1). In alles moeten we het slechte „verkiesen" „die legheste stede, die snoedeste cleederen ende die verworpenste, ende dat onachtsamste reetscap, nae den exempel Jhesu Christi".

Nederig moeten we zijn, „oetmodich", niets moeten we zijn, want „we zijn als het stof, dat op de aarde ligt", gelaten moeten we ons laten verdrukken. „In omnibus secundum exemplum Christi et doctrinam sanctorum eius te veraciter ex fundo humilia et deprime, et modos humiliandi te radicitus investiga et ex cognitione propriae nihileitatis et fragilitatis te ipsum despice, diiudica et ut veraciter es nihil, reputa"3). Pijnt u toe swighen, te wiken ende te duken 3), ende weset in allen dinghen die mynneste, ende laetet altoes over iuwe zijde gaen" 4).

Ons geheele leven is een kruis 6), moet een kruis zijn, de zoetheid van het kruis kent hij slechts, die het heeft ervaren. Zoo zoet en liefelijk is het kruis, en zoo zeker, dat wie het in waarheid liefheeft, groote bitterheid en beklemming gevoelt, zoo hij slechts een weinig er van afwijkt. Wat is er voor goeds, dat het kruis niet geeft? want bij het kruis vinden

1) Br. = Breviloquium, L. I. = iste brief aan Lubbe, L. II, 2C brief aan Lubbe, S. = Soliloquium. — Zie over armoede verder Br. 5 en 35.

2) Br. 34. Zie verder Br. 35, 47. S. 21 en 22.

3) Chron. Wind. Cap. LV schrijft Busch: „Hic frater devotus, in adversis dicere solebat, tacere, cedere et inclinari".

4) L. 1:8.

5) S. Cap. XI: 2, 5, 6.

Sluiten