Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in strijd met de richting zijns levens en vele zijner woorden.

We zullen nu nagaan, wat hij ons mededeelt over onze verhouding tot anderen. Hoewel ge u niet moet laten verwarren door het oordeel, goed- of afkeuring van anderen en Gods oordeel alleen voor u maatstaf moet zijn, zijt ge toch aan de menschen grooten eerbied schuldig; gevoel u als de minste van allen.

Zoo ge bij „werlike menschen" komt, moet ge „rijplike en swaerlike" in uwe zeden zijn, schuw dan „nyplichticheit3) in al iuwen gheleate"3), uw gebaren en zeden moeten als met Christus zeggen: „mijn rike en is van deser werlt niet". Doch wanneer ge bij uwe „susteren" komt, „soo hebbet u mynlijck ende toespreckelijck allen in woerden ende in ghesichte".

Ziet den mensch niet aan naar „die uitwendige anhanghinge" maar „nae den inwendighen menschen, van God ghescapen en mit zijns eengheboren Soens duerbaren bloete verlost". Verheugt u in den „ voert ganc" van uwe „susteren", „mynnet" -de deugden, die gij niet hebt, in anderen, „soe ist al iuwer, ende hijr is buten ghesloten alle mismoghen ende nydicheit".

L. II : 3 is een klein hoofdstuk getiteld: „Waerom, dat wi ons onderlinghe gheestelic minnen sullen"4)„Wi hebben allen enen vader; wi leven allen van eenre spiese, dat is van der minne". We hebben

1) Deftig.

2) Nieuwmodische plichtpleging.

3) Houding.

4) Vergel. I: 6.

Sluiten