Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mag niet verhinderd worden door een nietswaardig ding. Het is Jezus zelf, die mijn binnenste verlicht, wie zal het wagen, dit zijn licht te verduisteren? Het is, Jezus mijn Heer, die rust geeft aan mijn ziel, wie zal dien vrede storen? „Ik geef heilige ruste, de stille Sabbathsvreugde midden in de ellenden der wereld", zegt de Heer, „in mijnen tempel zal geen vreemde gast binnenkomen, nog minder er een woonplaats vinden". Het zou zondig zijn, zoo de ziel zich nog inliet met aardsche dingen, met onrustig zorgen voor de toekomst, die misschien nooit aanbreekt. Ze moet zich inspannen nooit een slavin te zijn van de aardsche dingen, wat boven is behoeft ze niet te vreezen, want dat drukt haar niet neder, het roept haar op om te verschijnen voor het aangezicht van den Heer, waar ze ongestoord het Eeuwige met godvormig oog, dat niet verduisterd kan worden, zien kan *).

In dit laatste hoofdstuk wordt gesproken over die vrijheid van den geest, waardoor deze „aan alle eigenheid ontbloot", uitgaat van zich zeiven en ingaat tot God, om in het hoogste te komen en de zoetheid dier „bruiloft" te smaken, welke in de „unio estatica" wordt verwezenlijkt2).

Ik zal straks enkele stukken neerschrijven, waarin hij uit die „unio estatica" spreekt, doch voor ik eindig wil ik nog op enkele dingen de opmerkzaamheid vestigen. Ten eerste, dat hij in zijn wer-

1) s. VII.

2) Zie Moll, Kerkh. Arch. dl II p. 240.

Sluiten