Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welke in het oorspronkelijke van zeldzame kracht en liefelijkheid van taal zijn, een van die gedeelten, die doen gevoelen dat ze geschreven zijn in groote ontroering des geestes, waarin de schrijver grijpen kon uit een rijke volheid van beelden en gedachten.

„Non sufficit aestimare, sed scire oportet per experientiam, quod animus inspicit illum qui omnia praeterita, praesentia, et futura, uno intuitu inspicit"1). Grijpen moeten we God door levende ervaring, onze ziel verlangt naar den kus der zoete „mynne"; verschrikkelijk is het te weten: God is hier bij me, om me, Gods geest vervult alle dingen, en er zelf niets van te ervaren. Ja 't kan zijn, dat wanneer we uiterlijk „communicare Sanctis et Divinis mysteriis", toch alle innerlijke verkwikking ons voorbijgaat. We hebben gemeenschap met het Hoogste en Heerlijkste, alles rondom ons is vol van God, doch het gaat ons voorbij. Die ziel krijgt verkwikking en rust, die ziel wordt gekust in de vurigste „mynne", die in haar reinheid en schoonheid daarvoor ontvankelijk en waardig is. Wondervreemd, beklemmend is het, zoo we zelf de heilige Mysteria verrichten, en om ons staan menschen, die vol zaligheid opgaan in God, genieten in zijn liefde, terwijl wij daar te midden van hen staan, dor, ellendig. Zoo één gaat „vacuus et ieiunius a mensa plena", hij heeft slechts lichamelijk daar gestaan, de Geest was verre van hem.

We hebben oogenblikken van verkwikking noodig.

i) S. Cap. x.

Sluiten