Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wanneer we oogenblikken hebben doorleefd van geestesverrukking, dan uit zich dat in ons in- en uitwendig leven. Met deze gedachte eindigt het schoonste hoofdstuk uit den tweeden brief aan Lubbe : „Hoe grote weelden ende rijckdoem in den beddeken der volmaeckter minnen ondervonden werden"1), dat ik in zijn geheel zal overnemen; hiermede wil ik mijn overzicht besluiten.

„Den sueten, mynlicken, inwendighen, bloeyenden beddeken der mynne, daar die cuusche bruet hoer lief in cusset ende ghebruket sonder forme, buten stede ende stonde, buten al verstandich begrijp sonder onderscheit, en mach ghien beweghen, gheen verdrijt, pine, swaarheit, moeyenisse, mismoghen, vreemde merke of becommernisse of niets niet ghenaken, dat dat selve niet en is, dies men daer pleghet ende ghebruket in ewigher weelden, in ongemetenre uutvlietenheit, recht of die mensche hemel ende eerde ende al, dat daer in is, vervullen solde mit dier rycheit ende minnen, dier hi ghebruket, als of hi selven minne waer ende also wolde alle dinghe in hem trecken ende der minnen verenighen. Aldus offert hi een ghemeene, onghemetene, ghename offerhande den Vader vermits den Soen in den heilighen Geest, van al dien goede, dat ye ghedaen wert of werden sal, van beghinne hent ten einde, opdat God si alle in allen dinghen. Aldus, also voele alst in hem is, volbrenghet hi alle offerhande

i) Moll, Kerkhist. Arch. dl. II, p. 228.

Sluiten