Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kort nadat Pinel zijn veranderd voelen had doorgevoerd, werd door de wet erkend dat krankzinnigen ontoerekenbaar zijn. De Code Pénal uitte dit in een artikel, artikel 64, dat aldus was opgesteld : „il n'y a ni crime ni délit, lorsque le prévenu était en démence au moment de 1'action, ou lorsqu' il a été contraint par une force a laquelle il n'a pu résister."

Dat hier alleen 't woord „Démence" gebruikt is kan daaraan worden toegeschreven dat tot nog toe alleen aan de dementia de ontoerekenbaarheid was onthouden, die men aan de andere vormen van geestes-stoornis al sinds lang had toegekend en dat de wetgever speciaal aan dien vorm van geestes-stoornis de ontoerekenbaarheid wilde hechten. Immers voor de andere vormen was dit niet noodig ; 't was al zoolang bekend dat de lijders aan de andere vormen van krankzinnigheid ontoerekenbaar waren. Deze vormen waren, en vooral de folie en de délire, reeds in 't groote werk van Pinel genoemd. En reeds lang ook had men tot de krankzinnigen de vier volgende groepen gerekend:

le. de idioten, zij die nooit een teeken van bewust denken hadden gegeven; 2e. de dementen in beperkten zin; 3e. de maniaci, bij wien de geestes-stoornis zich duidelijk openbaarde door de velerlei wanordelijkheden hunner daden en door hun wartaal en eindelijk 4e. de melancholici, wier hersenleven zich zoo weinig uitte, dat men ze een tijdlang met de idioten verward heeft.

Alleen voor de dementen sensu strictiori was men blijven twijfelen. Deze twijfel werd door de invoering van artikel 64 opgeheven; voor de lijders der drie andere vormen van geestes-stoornis was het buiten kijf dat zij niet toerekenbaar voor hun handelingen waren.

Sluiten