Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

neer liet bewezen is, dat bij de bevolking of liever bij het geheele ras, waartoe de misdadiger behoort, de schedel-abnormiteiten in het geheel niet voorkomen, kan er sprake van zijn of de voorkomende abnormaliteit een bijzonderheid is of niet. Eerst wanneer men bekend is met den schedelbouw van de geheele vrije bevolkingop bepaalde leeftijden, kan men een besluit trekken.

Immers zoolang men niet weet, hoeveel brachy- en hoeveel dolichocephalen er in een bepaalden volkskring voorkomen, kan men geen .conclusie trekken uit het feit, dat onder dieven meer brachycephalen, onder moordenaars meer dolichocephalen zijn, daar dit misschien met ras-eigenaardigheden samenhangt. Wanneer men de schedels van duizendtallen van misdadigers zou meten en niet alleen de schedels van weinige, bijzondere en buitengewone misdadigers, dan zou men zien, dat de afwijkingen voorkomen bij hen die, op moreel gebied, niet in dien hoogen graad gedegenereerd zijn als anderen, bij wien men soms juist prachtige, normale Schedels vindt. En Baer komt tot het besluit, dat er geen verband bestaat tusschen de schedel-deformiteit en de hoogte van het moreel defect en dat 't iemand moet bevreemden, dat sommige geleerden voor bepaalde categorieën van misdadigers, bepaalde schedel-afwijkingen als specifiek opgeven. Trouwens hun uitkomsten zijn met die van anderen in tegenspraak.

Ten Kate en Pawlowsky zeggen: „over 't geheel bevestigen de uitkomsten die wij hebben gekregen niet, ten minste van een craniologisch standpunt beschouwd, dat de misdadigers tot een andere klasse van menschen behooren. Het is voor ons veel waarschijnlijker, dat het verschil tusschen de gevaarlijke klasse van menschen en het

Sluiten