Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

»kaléla-sëlal", kleine, weinig behaarde stengels en bladeren, die gelobt zijn, en ronde, witte of gele wortels met gelijke schil;

*katéla-kangkoeng", kleine heesters, met dunne, smalle, 5-lobbige bladen aan lange stelen, en witte wortels met gelijke schil.

Eindelijk noemt men de verwilderde kaléla *katéla-embjah", met groote, grove, sterk behaarde stengels en bladeren en met wortels zonder eenige verdikking. Tot de katéla brengt de Inlander, evenals de cassave, de »bënqkowang", pachyrrhizus, maar onderscheidt die in de cultuur, die hier onbeduidend is, door de voortkweeking uit zaden.

Men benoemt de ontwikkelingsperioden van het gewas als volgt:

•sëmials de stekken nieuwe bladeren schieten; *temlolor", als de loten geschoten zijn, maar den grond nog niet raken;

vlëpoeng loeng", als de takken en loten der stekken aan elkander raken;

• toempang oewit", als de planten in elkander zijn gegroeid, en •goegoerhet uitgraven der wortels.

In den tijd tëmlolor wordt er gespit en het geplante eenigszins opgehoogd. Daar de grond door de spoedig uitschietende blaren en loten weinig onkruid heeft, en bovendien mul is, kan men 4 Q R. R. van dien arbeid per uur doen. Vooral moet gezorgd worden voor afleiding van water, omdat de wortels anders spoedig rotten, en men behoort dén oogst te beginnen zoodra de bladeren rood schijnen, en met gaten vallen, daar bij overrijpheid anders spoedig een witachtig roode worm de katéla doorboort.

Op afgelegen plaatsen komt er een sterke paggër om de aanplantingen, ten einde de varkens buiten te houden, die zich in den tijd tëpoeng loeng, als de knollenvorming begint, vertoonen. Men oogst zelf, zonder behulp van anderen, en komt met dien arbeid over 2 Q R. R. per uur klaar.

Veel gelijker dan van djagoeng is over eene zelfde uitgestrektheid het beschot der katéla, eene eigenschap die zij

Sluiten