Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de »tëmbakoe-sompok-koelineengedrongen planten met kleine, ronde, fijne bladen^

Men oudersclïëïdt de tijden van groei in het zaadbed naar de grootte der blaadjes, die opeenvolgend heeten: »motolélé", zoo groot als de Ot'gen der lélé; 'tniljissi", als pitjis; »doewitti", als een duit; vgobangngt", als een gobang en »sëmoeroeh", als een sirih-blad, als wanneer na de uitzaaiing nu 40 tot 60 dagen verloopen zijn. Over bet intusschen plantklaar geploegde veld worden niet den pootstok de plantgaten gestoken op 5 voet vierkant voor eigen cultuur en soms tot op 2 X ^ als men de onbereide bladeren verkoopen wil. Na hel uitpoten worden de jonge planten met stukken pisang-bast of met djati-bladeree beschut, »rodong", en begoten. Het begieten, dat 's morgens en 's middags gedaan wordt, kost in den drogen moesson ongeloofelijken arbeid, daar er zeldzaam beken of leidingen ziju en men gewoonlijk pulten te graven beeft. In alle geval moet men voor elke drie of vier planten scheppen of putten, en heen en weer loopen naar een afstand, die niet elke vier planten in de rij een R. roede toeneemt. Naar gelang van den moesson en van den regen verloopt tusschen elke begieting een of meer dagen. Na drie weken worden de schutblaren weggenomen, *njingkap", en werkt men met de paljoel den grond om. Als de blaren in de zon glinsteren, de *mongso gëmilap", worden de twee benedenste blaren verwijderd, *>ljèwok", heigeen nogmaals geschiedt, als de plant in den tijd »leménggohal hare bladeren heeft ontplooid. Dit laatste laat men voor kaptabak na, waar het bij den Inlander slechts te doen is om hetaanlal: doch men doel het bij eene bereiding voor de Inlandscbe markt »radjang", als de waarde dan door dikke en kleverige bladeren zeer stijgen kan. Intusschen heeft men allijddoor tot den tijd >këmëkëp", als de plant een piramidalen vorm heeft, begoten en den grond omgewerkt, soms tot vier keer toe, ofschoon het meestal twee maal gebeurt. Als de bloemknoppen zicht vormen, *boenlël", moet men die wegnemen, tmoenggëï'. Zoodra dit is afgeloopen heeft men tot aan den kaptijd altijd werk met het wegnemen der loten, »wiwil", die onophoudelijk en in

Sluiten