Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING.

UITGAVEN VAN EEN LANDBOUWERSGEZIN.

De Javaansche boer heeft aan zijnen bouwgrond, de sawafa's en tegal's te nauwernood genoeg voor voeding: het overige moet hij zich grootendeels verschaffen uit de opbrengsten van het erf, en in de tijden van schaarschheid, die elk jaar vast in meer of mindere mate van November tot Mei voorkomen, bovendien uit eenige bron van nijverheid. Men oordeele zelf naar de uigaven van eene landbouwersfamilie. Zij wordt ondersteld te bestaan uit man, vrouw, twee aankomende jongens en een meisje. Zij gebruikt aan padi, behalve de aardvruchten, 22 pikol per jaar. Na den oogst is die per amët (3 pikol's) zes gulden waard, maar niemand verkoopt daarvoor, zooals men weel, dan in geval van nood. Den prijs moet men stellen op acht gulden, want daarvoor wordt het te-veel verkocht, het ontbrekende ingekocht.

Men kookt per dag maar eens, doch eet twee keer's morgens om elf uur en 's avonds tegen zonsondergang. Versch vleesch is er zelden, nog zeldzamer versche zeevisch: gedroogd of gezouten ziet men die eens om de vijf dagen, als de vrouw naar de pasar is geweest. Meer komt voor de visch, zelf gevangen uit rivieren., rowo's of rijstvelden en bekend als »iwak loh". Zout, trassi, lombok ontbreken nooit, en gewoonlijk ook niet de scherp gepeperde groenten van blèren of onrijpe vruchten gekookt. Op pasar-dag zorgt de vrouw voor eenig gebak of wat vruchten. Dan is trouwens de voorraad van alles vernieuwd. Dan brandt de lamp met grooter pit, dan is er sirih en tabak naar genoegen, en drinkt men 's morgens

Sluiten