Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK I. ALGEMEEN OVERZICHT.

STICHTING EENER DESA.

Het zij vergund in herinnering te brengen, hoe ik vroeger de ontginning van grond en de daarmede gepaard gaande stichting van een dorp beschreef.

De ontginners zijn familieleden of door huwelijk verwant: lieden die om eenige reden van overbevolking, van oneenigheid of van epidemie de streek hunner inwoning met vrouw en kinderen verlaten willen en zich daartoe onder de aanvoering stellen van den oudste of den energiekste hunner. De plaats der toekomende vestiging was reeds opgenomen en de toestemming tot ontginning verkregen. Niet veel is de bezitting en hetgeen men heeft aan have of goed, tot zelfs aan karbouwen of ploeggereedschap, wordt te gelde gemaakt. Een kussen, en eene deken, eene legmat, eenige potten en pannen, een zak rijst of maïs, zout en tabak, vormen met koevoet en bijl, met spade en hakmes het geheele gepak. Daarmee begeeft men zich op marsch lot de gebaande weg ophoudt en het pad in de wildernis moet worden gevolgd Dicht bij de plaats der aanstaande kolonie gekomen, gaat de aanvoerder vooruit, en roept van Ilias, Salomo's zoon, die over de bosschen heerscht, den zegen af. Anderen vragen heil aan Karoeng Kolo, den Vorst der jagers en den jongeren broeder van Pemoehoen, den Koning der landbouwers Het gezelschap is intusschen genaderd, en te zamen begeeft men zich naar de uitgekozen plek. In weerspraak met Ricardo's theorie en veel eerder Carey's beweren stavend, kiest men, om er de woonplaatsen te vestigen, een hoog gelegen terrein, het minst begroeid, en dus het schraalst, maar hel best verdedigbaar in de woestenij tegen den aanval van wilde dieren het meest voldoende aan de vereischten van soort en vorm van grond, die de Javaan zich voor het erf noodig denkt.

Sluiten