Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

•témaboeh", als de vracht eene vuist groot is; »gëmilengals zij glinstert op de snede;

'djëmamoer", als zij wit is, en er uitziet als beschimmeld; ogëmlibar", als de vrucht half rijp is;

t/iëmlijèng", of •>kemëntoet", als de vrucht rijp wordende, de lucht afgeeft van het grondwoord *këntoet;

»maleng", als de vrucht rijp is. Zeer verschillend is de opbrengst en de waarde daarvan. Men heeft honderden groote en kleine vruchten aan den eenen boom, en ter nauwernood 25 stuks groote aan een anderen. De verschillende boomen, waarbij men dit liet nagaan, brachten behalve vele kleinere, minstens 30 stuks groote vruchten op, die overal 7 cent golden. Per boom kan men, alleen de groote vruchten rekenende, eene opbrengst van f 2 als minimum stellen.

GËBANG-

Dc gëbang groeit overvloedig in de wildernissen en schiet dadelijk tot eene aanzienlijke hoogte op, zoodra hij ruimte en licht krijgt. Nergens wordt hij gekweekt; op goed geplante erven, waar hij toevallig uitschiet, soms uitgeroeid. Schiet hij daar in bloem, dan worden deze met zorg verwijderd, of de geheele boom omgekapt, daar de Inlander gelooft anders spoedig zijn erf te moeten verlaten. Na tien jaar zijn er blaren uitgespreid en is de boom krachtig ontwikkeld, »rëmakah"; na vijftien jaar kan men er genoegzaam blaren van kappen, om kadjang-matten, »balar", te maken, waarvan de naam van tgëmalar", om een volwassen gëbang aan te duiden. Op droge gronden vallen deze tijden soms vijf en meer jaren later in. De vruchten, 'kranding", deugen tot niets. De waarde zit in de blaren, die jong dienen lot het maken van het grove weefsel, als karoeng bekend, en oud tot het rijgen van kadjangmatten. De bladstelen, »6as", gebruikt men wel eens tot het vervaardigen van een ruwe soort van touw en de daaraan zittende dorens, »tjëngkèlctot het maken van de vorken om dieven op te vangen. Men kan per jaar 12 blaren kappen, die 1 of 2 cents waard zijn. Soms vloeit uit den groeikegel

Sluiten