Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7. Tuberkelbacillen van koudbloedige dieren.

Niet alleen bij dieren met hoogere lichaamstemperatuur dan zoogdieren, dus bij de vogels, treft men tuberkelbacillen aan, die in eigenschappen dikwijls sterk afwijken van die, welke den zoogdiertuberkelbacillus in den regel eigen zijn, maar men vindt ze ook bij dieren met lagere temperaturen. En ook deze tuberculose der koudbloedige dieren heeft reeds een zeer uitgebreide literatuur en casuistiek.

Wat visschen betreft, kweekten Bataillon, Dubard en T e r r e tuberkelbacillen uit een karper. Deze groeiden slechts beneden 25° C. Friedmann cultiveerde bacillen uit zeeschildpadden. Rupprecht vond zuurvaste staafjes bij een kikvorsch. M o e 11 e r entte een hazelworm met tuberculeus sputum en isoleerde daaruit zijn zoogenaamden hazelwormbacillus. Al deze bacillen groeien het best bij lagere temperaturen dan 37° C., soms in het geheel niet bij 37° C.. Met deze bacillen zijn daarna, ook door verschillende andere onderzoekers, experimenten op dieren verricht. In den regel zijn ze wel virulent bij koudbloedige dieren, niet bij warmbloedige. Vooral was het te doen om de beslissing omtrent de vraag, of deze bacillen der koudbloedige dieren doodeenvoudig gemetamorphoseerde bacillen van warmbloedige dieren waren; en verschillende onderzoekers meenen deze vraag bevestigend te moeten beantwoorden. Daarentegen is door anderen aangevoerd, dat men in die gevallen niet met omzetting te doen had, doch met zuurvaste bacillen, die spontaan reeds in het lichaam der koudbloedigsdieren kunnen voorkomen. Weber en Taute hebben in dit opzicht zeer interessante onderzoekingen verricht. Zij infecteerden kikvorschen met menschen-, runder-, en vogelbacillen. De bacillen vermenigvuldigden zich in het lichaam der kikvorschen feitelijk niet, bleven echter virulent voor caviae. Daarnaast konden zij echter uit de kikvorschen zuurvaste bacteriën kweeken, die totaal avirulent waren. En zij konden die bacillen ook verkrijgen uit een groot aantal kikvorschen, die nooit met tuberkelbacillen waren geënt. Zij meenden dus, dat die uit het water uit kroos, modder, enz., waarin veel zuurvaste bacillen voorkomen, afkomstig moesten zijn, en het gelukte hun ook, ze er uit te kweeken.

Zij stelden toen nog weder een nader onderzoek in omtrent de pathogeniteit. Er waren yroote doses noodig om kikvorschen te dooden. En zij kwamen derhalve tot de conclusie, dat de bacillen der koudbloedige dieren eigenlijk niets anders waren dan zuurvaste saprophyten,

Sluiten