Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

giftigde zijne dienaren. — Ik wil mijne sawah s met rijst beplanten. — De aap klom in den boom. — De steen viel op zijn hoofd. — Die jongen maakt zijn broertje aan het schreien.

— De patili plaatste (= deed stijgen) zijne vrouw in een draagstoel. — De dorpelingen brengen (van het grondw. oenggah) de rijst in de rijstschuur. — Die man geeft al zijn goed weg aan de armen. — De jongen liet zijn zusje vallen. — De stalknecht zadelt het paard. — Pak-Saridin omheint zijn erf. — Heb je het paard al geneesmiddelen ingegeven? — Ik wil je wel helpen.

— Straatroovers hebben een Chinees vermoord (gedood). — Ik zoek naar mijn boek dat weg is. — De Sultan sprak: «Regeert mijn jongere broeder Poeger reeds als Vorst over Padjang?' — De djaksa liet de getuigen komen. — Die ziekte heeft zijn1 dood veroorzaakt (= doen worden).

43.

Je zoon heeft mij vroeger verzocht, een goed zadel voor hem te koopen, maar ik heb 't nog niet gekregen. — De grassnijder snijdt gras voor de paarden van den wedana. — Zijne komst deed haar hare smart vergeten. — De roover stak met zijn kris naar den Chinees. — Wie heeft mijn boek weggenomen? Ik heb het weggenomen. Waar is het nu ? Ik heb het aan je broer gegeven; als hij het gelezen heeft, zal hij het aan je terugbrengen. — Wie hebben de pasanggrahan van Kertasana in brand gestoken? — Toen Kjai Soera Witjana de weduwe zoo hoorde spreken, was op 't zelfde oogenblik (= sanalika) zijn toorn verdwenen, en hij was verwonderd over de manier waarop de weduwe gasten kon ontvangen (= de weduwe, haar kunnen ontvangen gasten).

44.

Ngoko. Krama.

adja sampoen niet (verbiedend), mag

of moet niet.

bijèn bijèn vroeger.

sésoek of bésoek-ésoek béndjing-endjing morgen.

wingi of dek wingi wingi of kala wingi gisteren.

déné déné en, en nu (ook bij

verwondering).

Sluiten