Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zind moogt zijn met (= inarang) al uwe broers en zusters, dat gij begiftigd moogt worden met wereldsche goederen (= soegih doenja), en gij rijk moogt zijn aan zonen en dochters; dat niemand, van w (= adja ana) oplioude (= afbreke) te beminnen zijne broers en zusters, benevens zijne (andere) bloedverwanten.

106.

(Vervolg.)

Neemt deze mijne vermaningen aan, dat niemand van u weifele in zijn hart, want deze vermaningen zijn eene openbaring van den Schepper, die tot u allen komt; hij, die tot middelaar (djalaran) voor het uitspreken (= wetoe) der openbaring dient, dat is uw vader, die u het kwade (de kwade daden) en het goede aanwijst, maar in werkelijkheid is het Allah de Almachtige die u eene openbaring schenkt; moogt gij in staat zijn, de wenken van Allah te ontvangen, die Hij tot u doet komen (van dawoeh). Moogt gij kunnen bedwingen (= njegah) de begeerte naar het kwade, die tot ellende leidt, want Allah de Almachtige heeft u eene waarschuwing (= pangéling-éling) gegeven, en den rechten weg aangewezen, dat die in deze wereld gebruikt zoude worden. Mogen al mijne kinderen en kleinkinderen een goed voorbeeld kunnen worden, en nagevolgd worden door de anderen (= wong akèh), en dat alle menschen u vreezen en liefhebben. En verder, moogt gij bestendig voorspoed genieten tot in het verste nageslacht (= sa-toeroen-toeroen-moe kabèh), dat gij verwijderd wordet van de misdaad (= doeraka) en u zegen (= noegraha) worde toegevoegd.

107.

(Vervolg.)

Voor al mijne kinderen en kleinkinderen, die deze mijne vermaning eerbiedigen, bid ik dat Allah al uwe goede begeerten moge vervullen, want ik (= mijn bart) gevoel dat ik reeds oud ben, mijn lichaam is als het ware gelijk aan de zon op het tijdstip dat ze naar het Westen helt (= lingsir koelon), reeds dicht bij de plaats van haren ondergang en ver van hare opkomst

Sluiten