Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

140.

Over den tijger.

De tijger is een zeer wild dier; hij ziet er uit als een kat, maar zijne grootte is tienmaal (— tikel) die van een kat. Zijn huid is gestreept (= lorèk 2), er zijn ook gevlekte (= toetoel). In Bengalen en op Java zijn veel tijgers. De tijger bespringt en verslindt buffels, schapen en kidangs, herten, kantjils en andere dieren, soms valt hij ook menschen aan; maar hij is zeer bang voor vuur. Daarom maken de menschen, die dicht bij 't bosch wonen, 's nachts vuren (— bedijang), om (= digawé) den tijger vrees aan te jagen. Wat dit dier betreft, 't is niet mogelijk, het te temmen (= dat het getemd worde), omdat het zoo erg wild is.

141.

Chineesche opiumsmokkelaars in Rembang.

Des ochtends vertrok ik van Toeban naar Rembang; den geheden weg langs is het 't zelfde als buiten de stad Toeban, want de grond is er niet goed; er zijn wel fraaie dorpen, maar niet veel. Daar men er aan het zeestrand is (= daar zeestrand) zoo zijn er vele lieden, die hun levensonderhoud vinden in de vischvarigst.

Toen ik dicht bij Rembang gekomen was, ongeveer acht paal van de stad, zag ik een groot Chineesch kamp, Lasem geheeten, een stad van Chineezeu. Ik hield daar stil om binnen het Chineesche kamp eens rond te zien. Werkelijk zag ik tot mijne groote verwondering dat er zoo veel Chineezen waren. Ook zijn er vele, die zeer rijk zijn. Die rijke Chineezeu vinden (naar de mededeelingen der lieden aldaar) hun onderhoud alleen door het verkoopen van clandesüne opium (= apjoen peteng), die verkocht wordt naar andere regentschappen of residenties. Zelfs (= malah) wordt er veel verkocht naar Soerakarta.

Het brengen van die opium binnen Lasem is zeer gemakkelijk, omdat de Chineesche stad aan het strand der zee ligt, ver van Rembang; de schepen kunnen daar bijna niet ankeren, omdat de reede veel riffen heeft; daardoor is de bewaking lastig. Dik-

Sluiten