Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kende voordracht. Onze — buurvrouw houdt ons altijd een poosje aan den praat, als we haar ontmoeten.

Rusteloos, ongerust, onrustig. De gevangene liep — in zijn cel op en neer. De zenuwachtige reiziger liep — op het perron op en neer. Hij maakte zich —, dat de trein niet op tijd zou aankomen. De zieke heeft een — nacht doorgebracht. Wij maken ons — over zijn toestand.

Dagelijksch, alledaagse h, daagse h. Onze — kleeren zijn minder fijn, maar sterker, dan onze Zondagsche pakjes. Gij behoeft zulke groote oogen niet op te zetten: het is een — geval. Die man verricht zijn — bezigheden met opgewektheid en ijver.

Teruggaan, achteruitgaan. In den laatsten tijd is de handel in die stad sterk —. Wij zullen in onze gedachte eenige jaren — en een blik slaan op de toenmalige gebeurtenissen. Stilstaan is —.

«

DE TIJGER EN DE WOLF (een fabel).

De tijger, als gewoon, was op een strooptocht uit;

Geen vreedzaam dier vermocht zijn klauwen ooit

te ontduiken,

Maar ach, hij raakte in 't bosch verward in heg en struiken, En de aarde dreunde van zijn brullend, woest geluid.

Want 't razend dier brak door een sprong zijn voorste pooten. Daar lag hij toen, de Schrik van al het tam gediert'!

En als hij niet geholpen wierd,

Was vast de hongerdood zijn lot. „Natuurgenooten!"

Zoo kermt hij, „Ziet mij aan! verleent mij hulp en raad,

Verzorgt mij! 'k ben thans zelf daartoe niet meer in staat!"

Een wolf zag zijn ellende en was met hem bewogen,

Hij kwam juist van een goede jacht,

En deelde van zijn versche vracht

Den tijger mee uit mededoogen.

Die gunst bewees hij hem tot twee, tot driemaal toe:

De vierde dag verscheen, doch daar 't wat langer duurde,

Eer dat vriend wolf toen kwam, en reeds de tijger tuurde

Sluiten