Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

angel hals oog

bodem hart sleutel

stroom voet bloed

vlam wortel berg

vuur tand tong

klok slang tak

mond rug grond

52 *. Vorm uit de volgende korte zinnen één samengestelden zin. Zorg voor de juiste voegwoorden en let op de veranderingen in de woordschikking.

a. Men werpt een steen in het water. Er ontstaan kringen. De kringen worden telkens breeder en minder hoog. De kringen sterven eindelijk weg.

&. Een goudsmid wil de deugdelijkheid van een stuk goud onderzoeken. Hij strijkt met dat goud over een steen. Die steen is daartoe geschikt.

c. Wij bezochten de tentoonstelling.

Wij zagen een diamant.

Die overtrof alles.

De wereld had tot dien tijd nooit iets dergelijks gezien.

d. Nederland is een klein land.

Het heeft kunstenaars en helden voortgebracht. Het nageslacht is trotsch op die mannen.

e. Java is een rijk land.

Java is een prachtig land.

Overal komen we op Java.

Overal zien we dat.

ƒ. Iemand wil vooruitkomen in de wereld.

Hij moet niet tegen wat moeite en inspanning opzien.

Hij doet dat.

Hij zal zijn doel niet bereiken.

g. Borneo is groot.

Java is niet zoo groot.

Java telt veel inwoners.

Borneo telt minder inwoners.

Java is rijker aan voortbrengselen.

Sluiten