Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Beschouwingen over den tegenwoordigen stand van het irrigatiewezen in Nederlandsch-Indië.

Rede, uitgesproken bij de aanvaarding van het tijdelijk ambt van buitengewoon Hoogleeraar in de Waterbouwkunde aan de Technische Hoogeschool te Delft, den 12 April 1910

DOOK

A. G. LAMMINGA, c. i.

Mijne heeren Curatoren, Professoren, Lectoren, PrivaatDocenten, Assistenten en Studenten aan deze Hoogeschool en gij allen, die deze bijeenkomst met uwe tegenwoordigheid vereert.

Zeer geachte Toehoorders,

Door mijn voorganger, die, wegens gezondheidsredenen gedwongen, zijn ambt aan deze Hoogeschool — tot leedwezen van allen, die hem als Hoogleeraar werkzaam zagen — heeft moeten neerleggen, werd in de rede, waarbij hij zijn werkkring aanvaardde, de wenschelijkheid aangetoond, om aan eenige belangrijke onderdeelen der Waterbouwkunde meer aandacht te wijden dan in vroegere jaren het geval was; met name bedoelde hij ook de Bevloeiingskunst Onder dankbare herdenking van den zeer gewaardeerden steun van Heeren Curatoren, zag hij in zijn benoeming tot buitengewoon hoogleeraar een erkenning der noodzakelijkheid om aan de belangen van Nederlandsch-Indië meer aandacht te schenken, spoedig nadat de Polytechnische School tot Technische Hoogeschool was gegroeid. W aar het zeker is, dat een college over Irrigatie van groot belang is vo,or aanstaande Indische waterstaatsingenieurs, daar lag het voor de hand dat mijn voorganger als Indisch ingenieur speciaal wees op de Indische belangen ; maar zijn bedoeling is zeker nimmer geweest, dat de studie der Bevloeiingskunst uitsluitend

Sluiten