Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wezigheid van zedelijk leven in den mensch in het algemeen in zinrijken trant (Rom. 2 : 14—15, 7 : 15—23) erkent, wordt door hem het echte zedelijke leven van den Christen in rechtstreeksch verband gesteld met den persoon van Christus en zijn werk. De hamartiologische en objectiefsoteriologische beginselen van dezen Apostel liggen ten grondslag aan zijn beschouwing van 's Christens zedelijk leven (2 Kor. 5 : 17, Rum. 3 : 21—26, Gal. 2 : 16). De stellig-juridische opvatting van de beteekenis van Jezus dood voor den Christen ontvangt min of meer eene zedelijke tint niet slechts door de voorstelling dat in dien dood ook het „vleesch", als concreete macht beschouwd, in zijne heerschappij is getroffen, maar ook door de gedachte aan eene wezenlijke eenheid van Christus en hen die in Hem gelooven {Rom. 6 : 3—4). Men kan uitnemende zedelijke lessen, als in Rom. 12—14, Eph. 5 en 6, Col. 3 en 4 te vinden zijn in systematischen samenhang, in hare volle waarde laten, ook al laat men niet onopgemerkt dat de sporen van de Joodsche opleiding van Paultjs hier en daar ook buiten den kring zijner soteriologische beschouwingen kunnen worden waargenomen (Rom. 2 : 6—10, 1 Kor. 15 : 32), waartegenover intusschen ook in ieder geval wel op plaatsen als Rom. 14 : 23 mag worden gelet. Men laat aan Paultjs' zedeleer geen recht wedervaren als men .geen acht geeft op het verband tusschen zijne subjectieve en objectieve soteriologie, en als men haar met die van Jezus zelf vergelijkt, moet wèl worden bedacht dat juist de moeielijkheid van het bereiken van het door Jezus gestelde ideaal moest leiden tot de nauwe verbinding van den geloovige met zijnen Heer.

In de Apokalypse van Johannes treedt soms het Joodsch-Christelijke beginsel sterk op den voorgrond (14 : 13, 19 : 8). Elders in het N. T. wordt tegen ascese gewaarschuwd en tot praktischen arbeid opgewekt (Coloss. 2:16—23, 1 Tim. 4:8, 1 Thess. 4:11, 2 Thess. 3:10—12). Ongetwijfeld heeft verschil van voorstelling aangaande de nabijheid der jiagovota in deze en dergelijke dingen niet nagelaten invloed te oefenen. In den eersten brief van Johannes verdient H. 5:16 de aandacht. Ook op 1 Petr. 3 : 10 en 2 Petr. 1:3,5 moet gelet worden. Maar inzonderheid komt hier de brief van Jakobus in aanmerking, die

13*

Sluiten