Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1895) en op IIieronymus, die op den reeds gelegden grondslag de deugd der monniken als de virtus perfecta prees en het huwelijk enkel aanbeval, dewijl liet monniken en nonnen levert. De zedeleer der Kerk dwaalde af op gevaarlijk pad, ook in weerwil van min of meer principieel verzot tegen het monnikendom, als waardoor Vigilantius (G. Nijhoff. Vigilantius 1897) en Jovinianus zich bekend maakten.

Tegen de afdwalingen der Christelijke zedeleer, waardoor zij niet anders dan eene moraal der daad en dat wèl in uiterlijk karakter dreigde te worden, trad met kracht Augustinus op, die in eigen ervaring de kiacht en de zwakheid der menschelijke natuur had leeren kennen. In zijnen strijd met Pelagius was het in den grond der zaak om een zedelijk vraagstuk te doen, dat trouwens altijd aan de orde was waar vroeger of later over 's menschen vrijheid en den samenhang van de werkzaamheid van God en van den mensch gestreden werd. Door Augustinus (De doctrina christiana. Enchiridion ad Laurentium. De libero arbitrio) werd gepleit voor eene opvatting van het zedelijk leven, waai bij recht geschiedt aan de overtuiging, dat hier eene continuïteit heerscht waarvan bij een atomistisch individualisme geen sprake kan zijn. Uit dat oogpunt moet beschouwd en gewaardeerd worden, dat hij nevens de vier hoofddeugden — van geloof, Iwoj) en liefde als deugden wilde gesproken zien. Liet op menig punt — zoo als ook hier - zijne voorstelling in juistheid te wenschen over, men doet Augustinus onrecht* als men weigert op den bodem zijner beschouwingen diepen zedelijken ernst te erkennen. Al handhaafde hij de onderscheiding van prmmpta en consilia en evenzeer die van peccata venialia en mortalia, toch bleek duidelijk genoeg, dat hij omtrent deugd en ondeugd denkbeelden voorstond die slechts met vermijding van dogmatische eenzijdigheid nader hadden behoeven ontwikkeld te worden om de kerkelijke zedeleer op beteren weg te leiden. Intusschen is het merkwaardig, dat juist het zedelijk bewustzijn zich tegen het strakke dogmatische Augustinianisme heeft verheven — ten bewijze dat inderdaad in de juiste opvatting van Gods werkzaamheid eene moeielijkheid schuilt — zoowel voor den Godsdienst als voor de zedeliikheid —

Sluiten