Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarvan de hooge ernst niet gemakkelijk schijnt begrepen te worden. De strijd tegen liet Manichaeisme heeft Augustinus mede geleid tot weerspraak tegen de moraal der monniken, en zijn onderscheiding van het uti en liet frui {De doctrina Ghr. I c. 3) gaf hem gelegenheid om over God en wereld met liet oog ook op het zedelijke leven gedachten te ontwikkelen, die zeker nog meer vrucht ook voor de zedekunde hadden kunnen dragen als hij niet de Kerk te zeer had vereenzelvigd met de civitas Dei. Voor deze laatste moest de civilas terrena wijken naar de voorstelling welke liij naar aanleiding van de verovering van Rome door Alarik (410) (Retractationes II 43) in zijn op een schoone Theodicee gelijkend: De civitate Dei gegeven heeft. Hoe men verder ook oordeele over de strengheid van sommige zedelijke begrippen van Augustinus of over dogmatische voorstellingen waardoor hij zich met zich zelf in tegenspraak bracht, men moet erkennen dat hij Godsdienst en zedelijkheid niet elkander nauw verbond (H. Reuter. Augmtinische Studian, in: Brieger's Zeitschr. fiir K. G. IY, Dr. A. S. E. Tal.ma in: Theol. Studiën XIV bl. 305 vv.). Dat hij daarbij van Godsdienst sprekende enkel aan het Katholieke Christendom dacht, kan ons niet verwonderen. Evenmin kan het ons bevreemden, dat het hem niet helder voor den geest stond dat zijne dogmatiek eigenlijk voor eene gezindheids-moraal den weg niet vrij liet. Ook in lateren tijd was menigeen verlegen met het vraagstuk dat Augustinus en Pelagius met elkander in strijd wikkelde.

Hoe men ook oordeele over de verhouding van Boëthius tot het Christendom (F. Nitzsch. Das System des Boëthius, Prietzel. Boëthius und seine Stellung zum Christenthum 1879, Dr. W. Francken in: Geloof en vrijheid 1894), dat in zijn: De consolatione philosophiae zeker weinig van specifiek-christelijken aard is aan te wijzen, mag wel beweerd worden. Door Cassiodorus, die met zijn: „tot vulnera Satanas accipit, quot antiquarius Domini verba describit" letterkundigen of wil men schriftelijken arbeid in de kloosters binnenleidde, werd het spoor gewezen voor eene verbinding tusschen psychologie en zedekunde (De anima). Gregoritjs I heeft in zijne: LL. XXXV Moralium sive expositio

Sluiten