Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

cle ontwikkeling van de boeteleer (zie § 3 onder 3) die menig geschrift de poenitentia (van Theodorus van Canterbury, Beda Venerabilis, Columbantjs) in liet leven riep en tot de casuïstiek den stoot gaf. Tot juiste waardeering van de moraal der Middeleeuwen is het volstrekt noodig te letten op het feit, dat de Katholieke Kerk zich destijds in het bijzonder tot de opvoeding van het volk geroepen achtte. Het lag voor de hand dat daarbij de grens tusschen innerlijk-zedelijk en inaatschappelijk-burgerlijk leven niet scherp getrokken werd. Het moge al te betreuren zijn, dat daardoor tot eene behandeling van de zedeleer de weg gebaand is waarbij het echt-zedelijke wel eens tot den tegenwoordigen tijd toe — schade leed, men mag toch niet voorbijzien dat de Kerk inderdaad langs dien weg destijds in staat was ook aan hare zedelijke roeping te voldoen. De eischen der kerkelijke praktijk leidden veel meer dan tot wijsgeerigen arbeid — tot eene technische vaardigheid, die niet altijd gedachtig was aan het: „prius est nosse quam facere" dat Karel de Groote bij de stichting van de „schola palatina" onder de aandacht der bisschoppen bracht.

2. l)e zedeleer vóór de 13<l<' eeuw. Ongetwijfeld moet hier allereerst genoemd worden Alcuinus f 804, die, hoewel hij ook (de confessione peccatorum) onder de „poenitentiariërs" gerekend kan worden, toch van hoogere opvatting blijk gaf door op het voetspoor van Cassiodorus (zie § 3 onder 4) moraal en psychologie te verbinden. Merkwaardig is de wijze waarop hij de eenheid van het zieleleven aanwijst in het geschrift: de animae ratione, dat hij aan Etjlalia (Dr. K. Joel. Die Frauen in der Philosophie 1896 S. 63) opdroeg. Hier, gelijk ook in zijn: de virlutibus et vitiis, spreekt hij van de vier hoofddeugden — terwijl hij ook theologische deugden erkende (geloof, hoop en Iwfde zie t. a. p.) en in laatstgenoemd werk volgt hij, wat het getal der ondeugden betreft, Cassianus (zie t. a. p.). Misschien staat het met zijne erkenning van de eenheid der ziel in verband, dat hij den eenheidsband der deugden zoekt in de liefde jegens God (K. Werner. Alcuin und sein Jahrhundext 1S76). Menig vraagstuk van zedekundigen aard werd behandeld door Rabanus M\urus t 856, den Abt van IMdn, die eigenlijk aan de dgtTij diavoyTixij

Sluiten